Gedichten Theo Olthuis

26 maart.1

Voor de liefhebbers (en die zijn er natuurlijk volop) zijn de gedichten van Theo Olthuis na te lezen die in de viering van 26 maart werden voorgedragen.

Kathedraal
Hier achter stevig steen
in die reusachtige stilte
weer even eeuwen terug –
En ben opnieuw verwonderd
en weer overdonderd
door zoveel schoonheid
met vakmanschap,
slaafse arbeid, ijzersterk geloof
en pronkzucht verkregen.
Machtige zuilen rijzen nog altijd
de gewelven tegemoet
en dwalend langs
de rijkelijk versierde graven,
altaar en preekstoel
voel ik mij weer klein.
Dat zal dan ook ongetwijfeld
van de makers de bedoeling zijn
geweest.

En later bij de uitgang
hoor ik in het offerblok
mijn munten vallen,
open de zware deur
en zie in fel daglicht
nog net de vleugelslag
van een ontsnapte engel.

Buiten is God
bezig met een muurbloem.

Kerkje in Groet
Als ik nou God was
en zag voor het eerst
het witte kerkje in Groet
en hoorde die verfijnde stilte,
soms nog beklemtoond door
een voetstap of een vogel –

één vingerknip /
knipoog
en het was al
tot in eeuwigheid
mijn buitenhuisje.
Ruïnekerk
Ooit nestelde zich
de gedachte
in één of ander brein
dat hier op deze plek,
flink opgehoogd,
eens een kerk zou zijn
als sieraad in het landschap,
waar God moeilijk
omheen zou kunnen
en mensen zeker niet.

Wat eeuwen later,
zwaar verminkt
ten dele teruggebouwd,
stroomt het licht
nog onverminderd
door de lege ramen
langs weemoed, preekstoel,
afgepleisterd steen
en verdampte tranen.

Kauwtjes scheren
om de kleine toren
die geduldig op de tijd past
samen met het carillon;
een kind klimt
op de stenen muur
en springt
met armen wijd
in gras vol krokussen.

Voor altijd
Met ergens in mijn achterhoofd
de dood als blindganger
ben ik graag zo grondig mogelijk hier.
Met beide voeten op een stukje aarde
het leven vierend,
waarin van dag tot dag boven in mijn brein,
onmetelijk magazijn,
zelfs de kleinste dingen zich verzamelen.
Duurzaam en houdbaar
tot onzekere datum.

Natuurlijk ooit, vroeg of laat,
toch een keer overschreden.
Maar voor altijd wél geweest.
Vluchteling
Na alles en dat was veel
de beslissing toch genomen.
En op weg naar ergens ver
uiteindelijk ook nog
ergens aangekomen.
Maar al is hij nu dan hier,
hij weet zich ook nog daar,
waar afscheid nemen
een beproeving was.

Uit een hel ontsprongen
en in een doolhof aangeland,
valt er nog niet veel te vieren.
Opgeslagen in computer en papieren
met om zich heen een vreemde taal,
oefent hij zich dagelijks
in kalm te blijven / af te wachten.
Met het oog op morgen / overmorgen
kalm te blijven en af te wachten.
– Want na alles overleefd,
heeft hij nog net wat dromen over
hoe het hier zou kunnen zijn…

De onbekende kinderen
Voor hen
die uit het nest gevallen
tussen afval voedsel zoeken.
Voor hen
die dwalen in de nacht
en schuilend bij elkaar,
de kille stad vervloeken.
Net begonnen, koud in leven,
weggewerkt en afgeschreven,
de onbekende kinderen
van de rekening.
Voor hen
waar aan geknoeid is,
die verdronken zijn
of kansloos
in het asfalt zijn gereden.
Voor hen
die bij de grensstrook
in een mijnenveld vol bloemen
argeloos hun spelletjes deden.
In de lente van hun leven
weggerukt of prijsgegeven.
De onbekende kinderen
van de rekening.

In je hoofd
In je hoofd
kun je alles.
Fietsen naar de maan,
boven op de wolken staan.
Strelen met je handen los,
lopen door een donker bos.
Vechten als een tijger,
dansen met een elf.
Afscheid nemen
zonder tranen,
alles gaat vanzelf.

Vogel
Als ik weg wil,
word ik soms een vogel.
Dan ga ik op mijn tenen staan
en vlieg ik heel ver hier vandaan.

Over de huizen en het bos,
op eigen wieken, helemaal los.
Over de puntige bergen
en de diepe zee –
Als je wilt dan mag je mee…

Voel de wind langs je oren,
voel de wind langs je haar.
Hij blaast
alle gedachten uit je hoofd,
anders ben je veel te zwaar.
Ste
Mijn vader
is de sterkste
mijn zusje
is de kleinste,
mijn moeder
is de liefste.

Onze auto
Is de smerigste,
Onze tuin
Is de rommeligste,
Onze hond
Is de wildste.

En ik?
Ik ben de leukste…
Thuis.
Tsjakkaboem
Als het regent
Wordt het nat;
Als het vriest
Dan wordt het glad.
Als het sneeuwt
Wordt alles wit
En als mijn vader
Achter zijn drumstel zit,
Gaat alles dansen…

De kopjes met de schoteltjes
De lampen met het schilderij.
De stoelen met de tafel
En de spiegel danst met mij.